maandag, april 16, 2018

Boemel



Er werd in het weekeinde weer eens aan het spoor gewerkt. Daarom nam ik de boemel naar Geldermalsen, om vandaar door te reizen in een sprinter naar Utrecht, want ik ga niet in een bus zitten. Ik moest in de stad van mijn Alma Mater zijn voor een feestje. Vooraf ging ik op een terras zitten omdat de weerman had gezegd dat het lekker weer zou zijn. Dat viel wat tegen, maar mijn Utrechtse neef kwam mij gezelschap houden en het was gezellig druk in de stad, zodat wij ons aangenaam konden vergapen aan het langswandelend publiek. Zo'n boemel heeft wel wat, als je hem niet meer dan eens in de zoveel jaar hoeft te nemen. Ik boemel in dat geval meestal niet verder dan Gorcum. Nu hobbelde ik langs plaatsen als Arkel, Beesd en Culemborg. 

In Culemborg is het Centraal Boekhuis gevestigd, maar dit terzijde. De groep lawaaierige Brabanders die in Culemborg instapte bevatte weinig boekenlezers, vermoed ik. Wel iets te vrolijke mannen die iets te platte grappen iets te hard door de trein tetterden. Ik had spijt dat ik geen eersteklas had genomen. Valse zuinigheid. PSV moest bovendien eerst nog maar landskampioen zien te worden.

Dat bleek 's avonds te zijn gelukt. Ajax ging met 3-0 op de bek, evenals FC Dordrecht afgelopen vrijdag tegen Cambuur. Het was een thuiswedstrijd, er was dus geen spelersbus om tegen te houden en daarmee te laten zien wat voor slechte verliezer je bent. In plaats daarvan zongen we in het supportershome uit volle borst 'Een Dordtenaar zal altijd blijven zingen.' Met de boemel deden we er tien minuten korter over dan via Rotterdam en Schiphol met de duurdere Intercity Direct en we bleven ook nog uit de buurt van Amsterdam.

Foto: Elisa Kuster


donderdag, april 12, 2018

Pretpakket



Misschien zijn ze toch nog wat jong, aarzelt Claire, het kind en zijn vriendinnetje, om bij elkaar te slapen. Ik zeg dat ik het niet weet. Dat de natuur toch wel zijn gang gaat en dat hij goed is voorgelicht. Claire zegt dat zij wel jonger is. Dat dat een probleem kan worden als hij achttien wordt. Dan mag hij het ineens een tijdje niet meer met haar doen. Ik zeg dat de wetgever het slachtoffer is van heksenjagers, moralisten en betweters. Dat de natuur toch wel zijn gang gaat, wetgever of niet. Dat het kind voorlopig nog geen achttien is en dat het dan ondertussen wel uit zal zijn. Dat we er een onnodige troep van maken, met al die verboden en geboden. Dat ze het in de middeleeuwen wel wisten. Zodra je voor het eerst ongesteld was, was je huwbaar. Moest zo'n jongen nog wel een vak leren, voor ze konden trouwen. Dat daarom de bruidegom doorgaans ouder was dan de bruid. Claire zegt dat trouwen niet aan de orde is. Dat begrijp ik, maar bij wijze van spreken.

Ik moest denken aan de jaren zeventig, toen de seksuele revolutie nog natrilde. Ik gaf les op een mavo, was klassenleraar van een eerste klas. Mentor, moest je later zeggen, en brugklas, alsof dat iets verbeterde, alsof wit in plaats van blank racisten op andere gedachten brengt. Seksuele voorlichting hoorde er in die jaren gewoon bij, je kon ze maar beter vroeg genoeg wijs maken. Daartoe kregen de klassenleraren een 'pretpakket' ter hand gesteld, waarin het voorbehoeden centraal stond. Een condoom over een bezemsteel trekken was altijd een succes, maar de mop over de man die de goot insmeerde met groene zeep, zodat de ooievaar niet kon landen, deed het meestal beter.

Ik moest ook denken aan twee vrienden, Harrie en Hans, die de boot van de seksuele revolutie net hadden gemist. Twee verstokte vrijgezellen, nette burgerjongens die zich lieten afbekken door de feministen op kantoor. Ze boekten een vakantie naar Thailand en kwamen terug met een paar uur film van hun Thaise vriendinnen. Op het strand, in zee, op een terrasje, op een olifant, voor een pagode, op de markt. Het was dansen, springen, zingen en zwaaien van heb ik jou daar. Alleen de seks hadden ze niet gefilmd. Het waren nette burgerjongens gebleven.

Foto: auteur



maandag, april 09, 2018

Op last van de brandweer



Twee weken geleden nam ik de Beneluxtrein naar Antwerpen, om daar over te stappen op de intercity naar Gent. Ik bedacht dat het de laatste keer zou zijn dat ik met de Beneluxtrein reisde. De NS laat hem sinds gisteren over het spoor van de hogesnelheidslijn rijden. Niet Roosendaal is meer de 'grensstad' met België, maar Breda. Dat voelt slecht. Ik moest ineens denken aan Drs.P. Lang geleden, ik herinner mij niet meer hoe lang, zond de televisie een reportage uit, waarin Drs.P met de Beneluxtrein naar Brussel spoorde om daar genoeglijk een borreltje te drinken en een sigaartje te roken in een fraai etablissement in een van de passages. Drs.P is enkele jaren geleden overleden en genoeglijk sigaartjes roken in een etablissement is er niet meer bij. In Dordrecht instappen en in Brussel uit nu dus ook niet meer.

De NS, een dienstverlenend bedrijf waarvan wij, via de rijksoverheid, allemaal aandeelhouder zijn, legt sinds jaar en dag een stevige minachting voor Dordrecht en omstreken aan de dag. Dat blijkt uit het feestje dat werd gebouwd rond het rijden van de laatste Beneluxtrein. Eerst reclame maken voor Dordrecht als stad die het bezoeken waard is en daarna een feestje bouwen als je alweer een belangrijke treinverbinding naar die stad de nek omdraait, dat is ook tamelijk hypocriet. 'Voor giftreinen en sprintertjes zonder plee is Dordt kennelijk wél stad genoeg,' schreef columnist Kees Thies vandaag in AD De Dordtenaar. Dat tekent ook het falen van de lokale politiek, die Den Haag en Utrecht niet heeft kunnen overtuigen van het schadelijke effect dat het opheffen van diverse intercityverbindingen heeft op de regio.

Misschien wordt het tijd voor hardere taal. Ik ben te volwassen om met een bord op het spoor te gaan zitten, ik ga liever in gesprek, maar soms worden beschaafde argumenten en redelijke eisen bewust genegeerd. Dordrecht is in het trotse bezit van de gevaarlijkste spoorbocht van Nederland. Door die bocht schuren nacht na nacht treinen met een uiterst gevaarlijke inhoud. Misschien vinden we dat risico wel te groot om nog langer te accepteren. Bij onaanvaardbare risico's kan het treinverkeer worden stilgelegd op last van de brandweer. Toch? Of heb ik het bij het verkeerde eind?

Foto: auteur



donderdag, april 05, 2018

Verpreutsing



Een van de meest geslaagde romans van Thomas Hardy (1840-1928) is Jude the Obscure (1895), een boek dat een storm van verontwaardiging oogstte, omdat het strijdig zou zijn met de goede zeden. Die goede zeden waren gebaseerd op de uiterst benauwde, preutse en onderdrukkende normen en waarden van het Victoriaanse tijdperk. Er werd vooral aanstoot genomen aan Jude the Obscure omdat er sprake was van het ongetrouwd samenleven van een neef en nicht, die beiden een eerder, ongelukkig, huwelijk achter de rug hadden. Het was een tijd van zedenprekers en opgeheven wijsvingers. Hardy trok zich de kritiek zo aan dat hij daarna alleen nog maar gedichten schreef. In de twintigste eeuw zouden de opvattingen langzamerhand losser worden, maar de eerste uitgave van Lady Chatterley's Lover van D.H. Lawrence werd voor de zekerheid in Florence gepubliceerd en niet in Engeland zelf, waar al spoedig moord en brand werd geschreeuwd. Stel je voor, een Lady die het met de tuinman deed. Het duurde tot na de Tweede Wereldoorlog voordat het London Journal (1762-1763) van James Boswell (1740-1795) werd gepubliceerd. Een heerlijk scabreus dagboek, waarin Boswell ondermeer de lof zingt van het 's nachts bedrijven van de liefde met een prostitué op London Bridge. Dat gaf extra spanning aan de daad.

Boswell was een achttiende-eeuwer. In de achttiende eeuw lijken de zedelijke opvattingen iets losser dan in de negentiende. Niet veel losser, maar er werd wat minder moeilijk gedaan over prettige zaken als de vleselijke lusten. Langzamerhand begon, ik vermoed zo rond achttienhonderd, de verpreutsing. Mary Wollstonecraft Godwin (1797-1851), dochter van de voorloper van het feminisme, Mary Wollstonecraft, ging er op haar vijftiende met de beroemde en toen nog getrouwde, dichter Shelley vandoor, zonder dat het veel afdeed aan zijn populariteit en de latere van haar, nadat ze de roman Frankenstein had gepubliceerd. Als Hardy nog geen honderd jaar later hun levens als onderwerp zou hebben genomen, zou dat vermoedelijk groot schandaal hebben veroorzaakt.

Na het vrolijke hoogtepunt van de vrije zeden in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, toen we smulden van de boeken van Wolkers, Cremer en Reve (waar ik overigens nog steeds van smul), zette langzamerhand de verpreutsing en vertrutting weer in. De verzuurde generatie feministen van nu lijkt daarin stoer voorop te lopen. 'De onwelriekende gleuvenbrigade', zoals Gerrit Komrij de feministen van de tachtiger jaren placht te noemen, zijn er vriendelijke, verdraagzame types bij. Achter hen marcheren de nieuwe zedenpredikers, moralisten en zeloten. Daarachter de heksenjagers, vraag dat maar eens aan Anton Dautzenberg. Het is honderd jaar geleden dat Gerard Reve zijn ezelsproces won. Gelukkig hebben we nog schrijfsters als Stella Bergsma en Maan Leo, maar als we niet heel erg alert zijn, zitten we zo weer met dat soort bespottelijke rechtszaken en worden de boeken van Boswell, Hardy en Lawrence alsnog verboden, laat staan die van Wolkers, Cremer, Reve en nog een angstwekkend groot aantal meer.

Foto: auteur

zondag, april 01, 2018

Jeugd



Gisteren werd ik geïnterviewd door twee jongelui, die wilden weten hoe ik Dordrecht beleef en wat ik aan de stad verbeterd zou willen zien. Ik heb hen mijn tirade over de kaalslag uit de vorige eeuw, alsmede het gejubel over de restauraties daarna, bespaard. Ik heb gezegd dat ik Dordrecht een prachtstad vind, met hier en daar erg lelijke plekken. Mijn Dordrecht wordt gevormd door het centrum, de negentiende-eeuwse schil en een enkele enclave daarbuiten. De Tempel der Beschaving, bijvoorbeeld. Voor wie het nog niet weet: het stadion van FC Dordrecht, dat, na een onverdiende nederlaag tegen Go Ahead Eagles, afgelopen vrijdag zo mooi won van FC Emmen.

Ik weet dat de stad veel meer is dan die twee gebieden, maar met de buitenwijken heb ik niets. Wel met de polders daarachter, waar ik graag doorheen fiets en die voortdurend en met alle mogelijk inzet verdedigd dienen te worden tegen kwaadwillende projectontwikkelaars en bepaalde politici die in de lokale geschiedenisboekjes terecht willen komen. Zulke types zou ik het liefst, stevig verpakt in pek en veren, uit de stad laten verwijderen.

Ze vroegen ook nog of ik vond dat Dordrecht jongeren genoeg te bieden heeft. Op dat ogenblik klonk de muziek van Dordts leukste band, Scotch, vanuit mijn stamkroeg, waar ze een spetterend optreden gaven. Ik herinner mij Dordrecht uit de jaren zestig, van net voor de oprichting van Bibelot en Bobby Kinghe, toen je als Dordtse jongere nog beter af was in, of all places, Zwijndrecht. Bibelot en Bobby Kinghe hebben geholpen dat grondig te veranderen. Dat blijkt ondermeer uit de mooie documentaire van Wolken-TV over vijftig jaar Bibelot en het onder redactie van Joyce Bertram verschenen jubileumblad. Ik ben geen jongere meer, ik weet niet precies wat jongeren van nu in de stad aantrekt, maar ik denk dat de jeugd van 2018, vergeleken bij die van 1965, stukken tevredener mag zijn. Ook al hebben we geen universiteit, een historische vergissing, en het daarbij horende studentenleven. Wie het beter weet, mag het zeggen.

Foto: auteur



dinsdag, maart 27, 2018

Proeflokaal



De late middagzon bereikt nog net de ramen van het proeflokaal. Het is maandag. Op maandag houdt de halve horeca in Dordrecht de deuren dicht. Een deel van de middenstand heeft zich daarbij aangesloten, maar als de zon schijnt hoor je mij niet klagen. Ik kan trouwens tegenwoordig op zondag langs de onderbroekenboer, een ongekende luxe in wat ooit de hoofdstad was van de Biblebelt.

Claire laat op zich wachten. Het kind is uitbesteed, maar er kwam een vriendin langs. 'We lopen nog even uit.' Hoewel het niet mijn stamcafé is, want maandag, is het een aangenaam lokaal. Ik neem een voorschot op onze borrel. 'Het kan altijd nog erger,' schrijft L.H. Wiener in Fallen Leaves, zijn bundel prachtige brieven die iedereen moet lezen, voor het te laat is.

Vanmorgen belde Mees. Hij bereidt zijn begrafenis voor. De kanker is niet meer tegen te houden. Hij klonk bloedstollend monter. Ik ben niet goed in naderende dood. Hij is iets te vaak iets te dichtbij geweest. Ik heb zijn adem geroken. De zus van Arie is van haar fiets gevallen, wist hij. Het gaat even duren, maar die komt er zoals altijd wel weer bovenop. Ik zie dat Claire haar rijwiel voor de kroeg parkeert. Ze heeft haar haren teruggeverfd naar de oorspronkelijke kleur. Het staat haar heel goed.


Foto: auteur


zaterdag, maart 24, 2018

Stoep



Het eerste wat ik hoorde toen ik de radio aanzette, was het aanstellen van een oorlogszuchtige havik als veiligheidsadviseur door Donald Trump. Dat er een nieuwe wereldoorlog uitbreekt is zeker, het tijdstip alleen nog niet, en dat de Amerikanen in hun vergaande kortzichtigheid en vooringenomenheid op het terrein van buitenlands beleid daar verantwoordelijk voor zullen zijn, is zeer waarschijnlijk. Je zou maar kinderen hebben die op een mooie toekomst hopen. Het tweede onderwerp in het radiojournaal was het kapsel van een Nederlandse basketballer die in de Verenigde Staten speelt. Dat kapsel was, zo zei hij, vooral in trek bij ongeveer tienjarige jongetjes. Iemand met een voorbeeldfunctie dus. Of het kapsel van Donald Trump ook zo populair is bij die leeftijdsgroep, weet ik niet.

Deze week hebben we de gemeenteraadsverkiezingen gehad. Die verhouden zich tot het wereldgebeuren ongeveer zoals de buitenlandpolitiek van de VS tot het kapsel van een sportjongen, maar voor ons waren ze uiteraard belangrijk. Toen ik gisteravond vanuit het stadscentrum naar huis liep, zag ik dat een meter of vijftig voor mijn woning het trottoir was ingezakt. Waardoor is mij een raadsel, maar het is vlak voor mijn voordeur ook een keer gebeurd. Eveneens door onbekende oorzaak. Toen was de gemeente er als de kippen bij om de boel te repareren, want wie erin dondert en gewond raakt, kan schadevergoeding eisen. Een goed werkende gemeente is voor het dagelijks leven van groter belang dan de dreiging van een wereldoorlog. Als die laatste uitbreekt, is niets meer van belang, dan is het alleen prettig als je een zakje zelfmoordpoeder in huis hebt.

Ik ben van nature een optimist, al doet een aantal kwalijke figuren dat in de afgelopen jaren is aangetreden als 'wereldleiders' er alles aan om mij tot het pessimisme te bekeren. Types die zich soms met de ellebogen, met list, bedrog of geweld naar de top hebben gewerkt en bezig zijn dood en verderf te zaaien, zoals die man in een land dat zogenaamd onze bondgenoot is. Een man wiens naam je in Nederland nauwelijks meer kunt noemen zonder het risico dat de locale aanhang van deze naarling schuimbekkend op de stoep staat. Types ook die niet zelden gekozen zijn door een kortzichtig en vooringenomen, gefrustreerd electoraat met het verstand van tienjarige jongetjes, opgezweept door nepnieuws met dank aan vooral de sociale media. Types met raar haar en slechte manieren. Ik hoop ondertussen dat de gemeente de stoep heeft gerepareerd. Je zou maar een been breken.

Foto: auteur