woensdag, augustus 16, 2017

'Aan domheid geen gebrek'



Geboren worden in de eerste Koreaanse oorlog en omkomen door de gevolgen van de tweede. Het zou mij binnenkort zomaar kunnen gebeuren. Het onberekenbare sujet in het Witte Huis en de vetzuchtige dictator in Pyongyan vliegen elkaar nu nog verbaal in de haren, maar ieder ogenblik kan een van die types op een knop drukken en een fatale kettingreactie veroorzaken. Je zou toch zeggen dat ze hun tijd beter kunnen gebruiken, genoeg problemen in eigen land om op te lossen, maar nee, de heren moeten zonodig een potje Risk spelen, met hun kernwapens als fiches. 

Het zijn exponenten van het soort mensen dat nooit iets leert van de geschiedenis. Ik laat mij niet snel het hoofd op hol brengen, maar ik ben bezorgd. Niet zozeer voor mijzelf, ik wil nog wel een poosje doorleven zolang het dragelijk is, en dat is het alleszins, maar ik heb een goeddeels prettig leven achter de rug. Ik vraag mij af wat er moet worden van de generaties onder ons. Wie niet in zo'n Armageddon ondergaat, moet verder in een nauwelijks leefbare hel. Daar staan die twee ego's niet bij stil, vrees ik.

'De vernietigingsdrang is de mens aangeboren. Je zou kunnen zeggen dat de mens een weinig begaafd en van nature moordzuchtig dier is.' Dat schreven Edmond en Jules de Goncourt in hun Dagboek. Die hadden dat in de negentiende eeuw al door, maar ik denk niet dat Trump en Kim Jong-un het Dagboek van de Goncourts lezen. De gebroeders schrijven ook: 'Het menselijk handelen wordt bepaald door drie drijfveren. En dat zijn, in klimmende volgorde van belangrijkheid: hartstocht, eigenbelang en ijdelheid.' Onder die hartstocht valt, vrees ik, ook het religieus fanatisme waar een deel van de mensheid mee is geïnfecteerd en dat nationalistische gebral dat steeds luider de kop opsteekt.

Er staan veel krasse observaties in het Dagboek van Edmond en Jules. Ik wil u nog even trakteren op dit citaat: 'Iemand die intelligent is, moet het gewone volk beschouwen als een ongelofelijke hoeveelheid imbecielen.' Het is onaardig en arrogant, ik zou het zo niet formuleren, maar als je Twitter volgt, Facebook en naar het radioprogramma Stand.nl luistert, kom je als intelligent mens wel tot de slotsom dat het kabaalmakend deel van het volk meestal de bek maar een duw geeft en primair en instinctief reageert. Nadenken en feiten controleren is er niet bij. Het is allemaal emotie en hysterie en zelden weten ze ook maar bij benadering waarover het gaat. 

In Moedig voorwaarts! Schrijft Gerard Reve: 'Aan domheid geen gebrek,' maar nu stop ik met citeren, voordat iemand opmerkt dat Reve ook niet altijd zijn feiten controleerde. Checken moet je tegenwoordig zeggen, anders snapt de jeugd het niet.


Foto: auteur

zondag, augustus 13, 2017

Genx-eitje




Deze week heb ik een paar keer ontbeten met een eitje. Niets bijzonders en ik zal de enige niet zijn geweest. Alles wat er van te zeggen valt, is dat het werd gekookt in Dordts drinkwater, waarin de chemische stof genx is aangetroffen. Zowel over eieren als genx is er ophef. In sommige eieren werd een gifstofje aangetroffen dat was gebruikt bij het bestrijden van bloedluis. Mijn biologieleraar op de middelbare school vertelde prachtige verhalen over Nederlands-Indië, waar hij had gediend in het KNIL, maar daardoor is hij nooit toegekomen aan de bloedluis, zodat de paniek die uitbrak na de vondst van dat gifstofje, er in ieder geval toe heeft geleid dat ik nu eindelijk weet wat bloedluis is, en dat dat heel vervelend is voor kippen. Je moet, meen ik, een kilo eieren per dag eten, wil dat stofje enig gevaar opleveren voor je gezondheid, maar dat neemt niet weg dat veel mensen het ei voorlopig in de ban hebben gedaan.

Ik ken Dordtenaren die het plaatselijke drinkwater schuwen en wekelijks met flessen bronwater uit de supermarkt lopen te sjouwen, vanwege het genx. Of en hoe schadelijk dat voor de gezondheid is, is nog in onderzoek, maar zoals gebruikelijk in overheidskringen wordt het bandje 'er is geen gevaar voor de volksgezondheid' maar vast afgedraaid. De overheid kan weinig anders, want de ambtelijke dienst die de kwaliteit van ons voedsel en water moet controleren, is nagenoeg geheel wegbezuinigd. Dat wordt gemaskeerd door die dienst een 'autoriteit' te noemen (Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit). Dat moet een indruk van degelijkheid en betrouwbaarheid geven. Dat genx schijnt ook in de lucht te zitten, of te hebben gezeten, daarover ruziën de deskundigen. Er zit heel veel in onze lucht. Als de, in ons land overheersende, zuidwestenwind waait, krijgen we uitstoot van de Moerdijk en het Antwerpse havengebied over ons heen, als de noordwester waait, worden we getrakteerd op de stoffen uit de Botlek en de Maasvlakten en bij oostenwind kunnen wij ons verheugen op het rijke chemische palet van het Ruhrgebied.

Met belangstelling heb ik de stukken van twee bekende Dordtse columnisten gelezen. De ene pleitte voor een harde lijn tegen Chemours, het bedrijf dat al dat leuke spul in de rivier loost en de lucht in blaast (of heeft geblazen). De andere wees erop dat het allemaal volgens de vergunningen is gegaan en vond dat we niet te hard van stapel moesten lopen. Chemours is belangrijk voor de werkgelegenheid in Dordrecht en omstreken. Chemours is in de Verenigde Staten een aantal malen veroordeeld voor wat ik maar list en bedrog noem. De tijd zal leren of het ene verband heeft met het andere.

We leven in een van de welvarendste delen van de wereld, althans tot de Brexit een feit wordt. Dat brengt het een en ander aan vervuiling en risico's met zich mee. Om die binnen de perken te houden, hebben we een deskundige en alerte overheid nodig. Daar ontbreekt het aan. Wil je die Voedsel- en Warenautoriteit laten doen waar ze voor is bedoeld, dan kost dat wat en dat wat zul je er voor over moeten hebben. Ondertussen schenk ik mezelf een bak koffie van Dordts kraanwater in, want je hebt geen idee hoe lang die flessen bronwater wel niet in een of ander magazijn hebben gestaan en wat voor griezelige bacteriën erin krioelen.


Foto: auteur


zondag, augustus 06, 2017

Museumtuin



Toen ik vrijdagavond in de tuin van het Dordrechts Museum naar de film Sing Street zat te kijken, waande ik mij even in Griekenland. Daar heb je zogenaamde zomerbioscopen. In Thessaloniki is er eentje aan de Leoforos Stratou, aan de overkant van het Byzantijns Museum. Toen zij nog leefde, ging ik er regelmatig met Stella naartoe. Een aangename combinatie van openluchtbioscoop en kroeg. In Griekenland kun je rekenen op mooi weer. In Nederland ben je wat dat betreft aan de goden overgeleverd. Vrijdag hadden we geluk. Het regende alleen maar in de film. Aan het einde gingen de hoofdrolspelers, een jongen en een meisje van een jaar of zestien, in een piepklein bootje het avontuur tegemoet. In de regen.

In de tuin van het Dordrechts Museum moet ik altijd denken aan dichter Jan Eijkelboom. Hij schreef een gedicht over de tuin. Als je er binnengaat, staat het links op de muur. Het is een van zijn oudste en mooiste gedichten. Toen Jan tachtig werd, mocht hij een tentoonstelling maken van zijn favoriete werken uit het museum. Zijn smaak kwam opvallend overeen met de mijne. Te Noorden bij Nieuwkoop van J.H. Weissenbruch, vind ik een van de mooiste schilderijen uit de Dordtse collectie. Er zijn mensen die dat niet begrijpen. Jan Eijkelboom begreep het wel.


In 2008 overleed hij, ruim een jaar na Stella, die een aantal gedichten van hem in het Grieks vertaalde. Hij werd in besloten kring begraven. Later dat voorjaar werd een drukbezochte herdenking gehouden in het museum. Het was een bewolkte dag. Na de laatste toespraak gingen we naar buiten waar het gedicht Tuin Dordrechts Museum werd voorgelezen door Jans weduwe Roelien. Juist op dat ogenblik brak heel even de zon door. Ook daar moet ik aan denken als ik de museumtuin betreed.




Foto's: auteur




woensdag, augustus 02, 2017

God, Nederland en Oranje




In een van mijn vorige stukken schreef ik over Willem van Oranje: 'Toch wordt het misschien tijd voor een heroverweging van de motieven van Willem en zijn plaats in onze geschiedschrijving.' Ik bedoelde vooral dat het negentiende eeuwse, sterk nationalistisch en orangistisch gekleurde beeld, dat mijn generatie en die van mijn ouders werd opgedrongen in de schoolboekjes, aan herziening toe is. Geef de mensen de kost die nog steeds geloven in Willem van Oranje als 'onbaatzuchtige held die have en goed riskeerde in zijn strijd voor de vrijheid van de Nederlanden', zoals ik op 20 juli jongstleden noteerde. Nu is dat beeld in de geschiedschrijving nooit als alleenzaligmakend geaccepteerd, maar de geschiedenis als wetenschap staat, zo weet ik uit jarenlange ervaring, nogal ver af van wat met name in de oudere onderwijsmethoden wordt gedebiteerd. Historici van katholieke huize stonden traditioneel kritisch tegenover Oranje en zijn rol in de geschiedenis. Het God, Nederland en Oranje-gevoel werd vooral vanuit protestantse hoek geëntameerd. Of de voorstanders van een beeld van Willem van Oranje op het Dordtse Statenplein van deze tegenstrijdige visies op de hoogte zijn, weet ik niet. Ik verwacht het wel en ik verwacht ook dat die verschillen, in de discussie over wel of geen standbeeld van Willem in Dordt, een rol spelen.

Mocht er een beeld komen, al is dat eigenlijk een beetje raar in de stad van de gebroeders De Witt, dan verwacht ik zeker dat men daarbij met een genuanceerd verhaal komt en niet met een ietwat opgeklopt en historisch minder nauwkeurig betoog, zoals dat van professor Herman Pleij bij de herdenking van de vergadering van de Staten van Holland in Dordrecht, op 19 juli 1572. Ik raad belangstellenden, en zeker de voorstanders van het beeld, aan om de dit jaar verschenen studie Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands van Aron Brouwer en Marthijn Wouters eens te lezen. Deze jonge producten van de Universiteit van Amsterdam slaan het positieve geschiedbeeld van Willem de Zwijger met een voorhamer radicaal aan gruzelementen. In een studie, gebaseerd op uitgebreid bronnenonderzoek, concluderen zij dat Willem van Oranje 'zijn strijd echter nooit voor ons, of voor Nederland of voor ook maar enige ideaal [vocht].' Zij schrijven: 'Willem van Oranje was geen idealistische, maar opportunistische 'Vader des Vaderlands.' Telkens probeerde de Oranjeprins zijn bezittingen uit te breiden, en zijn machtspositie en familienaam te vestigen en te versterken. Wanneer zijn persoonlijke belangen veranderden, dan wisselden daarmee onvermijdelijk zijn politieke agenda en de standpunten die hij uitdroeg.' Willem van Oranje wordt beschuldigd van het organiseren van volksoproeren, het streven naar een dictatuur, het wegwuiven van wangedrag van zijn soldaten en het steeds weer breken van zijn beloften. Hij was iemand die protestantse ketterij bestreed als het hem uitkwam, maar in een andere situatie de kant van de fanatieke Calvinisten koos. Kortom, hij was nogal een draaikont.

Brouwer en Wouters kan niet worden verweten niet degelijk te werk zijn gegaan in hun onderzoek, maar zij slaan met hun interpretatie van de feiten nu en dan wel erg door. Dat is althans de mening van de Leidse historicus Geerten Walling in de Volkskrant van 13 januari jongstleden. Hij wijst erop dat katholieke historici zich al lang geleden uiterst kritisch over Oranje hebben uitgelaten en onderschrijft het beeld van de Vader des Vaderlands als een opportunist, maar dan wat religie betreft. Anderzijds voert hij aan dat Oranje veel eigen kapitaal in de strijd heeft gestoken en niet alleen zelf is omgekomen, maar dat ook een aantal broers en goede vrienden de opstand met de dood hebben moeten bekopen. Hij prijst het onderzoek van Brouwer en Wouters, maar noemt hun conclusies eenzijdig.

Wat hiermee weer eens duidelijk is geworden, is de complexiteit van de geschiedenis, waardoor historische figuren soms moeilijk op waarde zijn te schatten. Het plaatsen van standbeelden van hen in een tijd dat we allerminst behoefte hebben aan heldenverering en nationalistische God, Nederland en Oranje-verering, is daarom een hachelijke zaak.

Aron Brouwer & Marthijn Wouters - Willem van Oranje. De opportunistische Vader des Vaderlands. Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2017.





vrijdag, juli 28, 2017

Farizeeërs




Als jong onderwijzer ben ik een keer uit mijn broek gescheurd. Ik raapte voor de klas iets op, een krijtje misschien, en krak! Vrolijkheid in de klas, maar wat nu? Ik werkte in Hendrik-Ido-Ambacht, ruim een half uur fietsen van de pont naar Dordrecht en de reddende naaimachine van Annemarie. In die tijd bestond er nog een vak dat nuttige handwerken heette. Dat werd gegeven door de juffrouw van de tweede klas, die daarom 'de naaijuf' werd genoemd. Zij dirigeerde mij naar het toilet, waar ik na afgifte van de broek wachtte tot ze de schade met een grove steek provisorisch had hersteld.

Terug in de klas werd er nog wat na gegrinnikt, wat ik afstrafte met een extra saaie rekenles. Ik vond rekenen een kutvak om te geven. Gelukkig zijn er tegenwoordig rekenmachines, al geef ik toe dat het handig is als je de tafels van één tot twaalf uit je hoofd kent. Ik heb daar veel plezier van gehad in de tijd dat ik bij DFC achter de bar stond en voortdurend meters bier moest afrekenen.

Een vriendin van mij is op vakantie. Ik zorg voor haar huisdier en haar planten. Als ik in de kroeg zeg: 'Ik zorg voor de poes van Claire,' regent het flauwe grappen. Binnenkort is dat afgelopen, dan komt niet alleen de rookinspecteur langs, maar ook de seksismepolitie. Het moet maar eens uit zijn met naaijuffen, kutvakken en de poes van Claire. Leve een rookvrij Groningen! Leve de farizeeërs!

Foto: auteur




dinsdag, juli 25, 2017

Amsterdam




Waar zou ik buiten Dordrecht willen wonen? Een niet te beantwoorden vraag. Er zullen altijd steden zijn waar ik nooit zal komen, soms met namen die de fantasie prikkelen: Samarkand, Isfahan. Er zijn steden waar ik niet meer heen wil, zoals Tunis, met vieze vliegjes en opdringerige kooplui, die je hardhandig hun winkeltje intrekken. Ik hoef geen steden in landen met nare ziektes, vuil, armoe, veel herrie en mensen die een kop kleiner zijn dan ik en als mieren leven.

Ik ben als stadsmens dol op het platteland, maar het moet niet langer dan een paar dagen duren. Ik ben ooit in 'verre' steden geweest, al is tien uur vliegen mij ver genoeg. New York, Boston, Minneapolis, Albuquerque, New Orleans, Washington, Willemstad, Paramaribo. Ik heb er rondgelopen, mij vermaakt, mij verbaasd en mijn geliefde leren kennen. In Minneapolis, maar goddank kwam ze uit Thessaloniki. Dat is maar twee en een half uur vliegen.

Ik vind Europa bereizen mooi genoeg. Ik pendel tussen Dordrecht en Thessaloniki. Soms doe ik Athene aan, Lissabon, Londen, Praag, Boedapest, Wenen, Düsseldorf, Parijs, Florence, Rome, Liverpool, Dublin, Edinburgh en nog zo wat. Amsterdam mijd ik een beetje, vanwege die humor en omdat ik ooit, eind jaren zestig, vanwege mijn lange haar geweigerd werd in het café van die lollige tante Leen op de Nieuwendijk.

Foto: auteur


donderdag, juli 20, 2017

Vrienden van Oranje




Ik hoor dat er in Dordrecht een standbeeld van Willem van Oranje komt. Ergens in de buurt van het Hof. Ik vraag mij af of dat wel zo'n goed idee is. Natuurlijk, ik wil niets afdoen aan het feit dat Willem van Oranje een belangrijke rol heeft gespeeld in de geschiedenis van Nederland. Hij was de Vader des Vaderlands, leerden wij op school. Daar leerden wij ook dat Jan Pietersz. Coen iets groots verrichtte in 'Ons Indië.'

Veel Nederlanders denken bij Willem van Oranje nog steeds aan een onbaatzuchtige held die have en goed riskeerde in zijn strijd voor de vrijheid van de Nederlanden. Dat die vrijheid voornamelijk van conservatieve aard was, namelijk het terugwinnen of behouden van de privileges van adel en steden (bestuurd door een oligarchie van een aantal rijke families) en weinig van doen had met ons moderne begrip vrijheid, laten we maar even onbesproken. Dat Oranjes streven naar vrijheid van godsdienst voor zowel de protestante minderheid als de katholieke meerderheid in de Nederlanden tenslotte uitliep op een achterstelling, en eeuwenlange positie als tweederangs burger, van de katholieken is hem niet aan te rekenen, maar de fanatieke Calvinistische minderheid in het land. Toch wordt het misschien tijd voor een heroverweging van de motieven van Willem en zijn plaats in onze geschiedschrijving. Het zou best eens kunnen zijn dat zijn handelen vooral voortkwam uit de wens de belangen van het Huis Nassau veilig te stellen, zoals dat, als we de goed protestantse hoogleraar Van Deursen in zijn biografie Maurits van Nassau. De Winnaar die faalde, mogen geloven, bij zijn zoon Maurits zeker het geval was.

De verhouding tussen Dordrecht en de Oranjes was in het verleden niet altijd even gelukkig. Oranjes kleinzoon Willem II raakte na het, zeer tegen zijn zin, tekenen van de Vrede van Münster al snel in conflict met een aantal steden, waaronder Dordrecht, over het afdanken van troepen. Willem II bereidde met zijn neef Willem Frederik van Nassau-Dietz, de Friese stadhouder, een staatsgreep voor om af te rekenen met zijn tegenstanders, waaronder de Dordtse regentenfamilie De Witt. Willem Frederik trok met een leger richting Amsterdam, voor een verrassingsaanval. Die mislukte doordat een deel van de troepen op de Hilversumse heide verdwaalde. Dat kon zomaar in die dagen. Willem zette burgemeester Jacob de Witt, samen met een aantal andere vooraanstaande leden van de Staten van Holland, gevangen in slot Loevestein.  De zaak liep met een sisser af, maar toen Willem II in 1651 aan de pokken overleed, besloten de regenten dat het uit moest zijn met de invloed van de ambitieuze Oranjes, die zich veel te veel als vorsten wilden gedragen. De anti-Oranjegezinde regenten noemt men ook wel Staatsgezinden. Het bestuur van Dordrecht was bij uitstek Staatsgezind. De zonen van Jacob de Witt, Cornelis en Johan, speelden in deze periode een belangrijke rol in het landsbestuur. Er kwam zelfs een Eeuwig Edict, in 1667, waarbij de Staten van Holland het stadhouderschap afschaften. Dit alles werd teruggedraaid in 1672, toen Engeland, Frankrijk, Münster en Keulen gelijktijdig de Republiek der Verenigde Nederlanden aanvielen en het door angst bevangen volk oproer veroorzaakte en schreeuwde om een Verlosser, in de vorm van Willem III als stadhouder. Die vond al veel langer dat hij dat moest worden en voelde zich nogal tegengewerkt door de gebroeders De Witt. Op 20 augustus 1672 werden zij op uitzonderlijk wrede wijze te Den Haag gelyncht door het Oranjegezinde volk, waarbij Willem III een twijfelachtige rol op de achtergrond speelde. Zo hij er niet direct bij was betrokken, wat onduidelijk is, dan wel vanwege het fiat dat hij gaf aan een reeks ophitsende pamfletten gericht tegen de de gebroeders De Witt.

Na de dood van Willem III (1702), die het schopte tot koning van Engeland en in zijn oorlogen met Lodewijk XIV een loodzware wissel had getrokken op de financiën van de Republiek, hadden de regenten voorlopig weer genoeg van de Oranjes. Er kwam een tweede stadhouderloos tijdperk. Daaraan kwam een einde in 1747 toen de Fransen het land bedreigden. Weer schreeuwde het volk, in die tijd aangeduid als 'het grauw', 'janhagel' of 'het plompe gemeen' om een Oranje Verlosser. Dat werd de Friese stadhouder, een achterachterneef van Willem III, die kinderloos stierf. Onder de zoon van Willem IV, Willem V, ontstonden alweer spanningen tussen de Oranjes en een deel van de regenten, die sympathiseerden met de Patriotten, waaronder nogal wat bestuurders van Dordrecht, waar vanaf 1782 de anti-Oranjegezinde Post van de Merwede enige tijd verscheen.

Het verhaal wordt te lang om hier in detail te vermelden, het is allemaal na te lezen in Simon Schama's Patriots and Liberators, maar de Dordtse pensionaris Cornelis de Gijselaar overkwam bijna het lot van de gebroeders De Witt, toen hij het in 1786 waagde om met zijn koets door de Stadhouderspoort het Binnenhof op te rijden. In Dordrecht werd in 1783 het Patriottische exercitiegenootschap De Vrijheid opgericht, waaraan het mooie, bruine café op de Noordendijk indirect zijn naam dankt. Het verhaal gaat dat, toen koningin Wilhelmina eens een bezoek aan Dordrecht bracht, het pikje van de cherubijn van het Huis der Onbeschaamden moest worden afgedekt om haar niet in verlegenheid te brengen. Ik heb sterk het gevoel dat dat verhaal apocrief is, maar wat wel zeker is, is dat Dordrecht, althans ten tijde van de Republiek, een moeizame omgang had met de Oranjes.

Ik vind zo'n standbeeld prima, als er dan maar een eerlijk en objectief historisch verhaal bij wordt verteld en geen jubelgeschiedenis, zoals bij de viering, onlangs, van de eerste 'vrije' Statenvergadering in Dordrecht. 'Toen begon Nederland,' sprak emiritus hoogleraar historische Nederlandse letterkunde Herman Pleij bij die gelegenheid op Radio1. Nou, nee. Het was een belangrijke bijeenkomst en een schakel in het proces dat tenslotte leidde tot onafhankelijkheid, maar voor Nederland begon, zou er nog heel veel water langs Dordrecht stromen.


Foto: auteur