dinsdag, december 12, 2017

Brieven aan de toekomst



In 1998 organiseerden het Nederlands Centrum voor Volkscultuur, het Meerstens Instituut en het Nederlands Openluchtmuseum een interessant project. Aan de inwoners van Nederland werd gevraagd een brief te schrijven over hoe zij de 15e mei hadden doorgebracht. Daardoor ontstond een beeld van het dagelijks leven los van de koppen in de krant en de waan van de dag.

Meer dan 50.000 mensen schreven een brief. Al die brieven vormen een collectie met een groeiende, historische waarde. Een jaar na het project verscheen een boek met een kleine selectie uit de brieven. Het werd op een zonnige meidag gepresenteerd in het Openluchtmuseum. Stella en ik waren erbij want mijn brief was voor het boek gekozen. Op 15 mei 1998 hadden we een groep Griekse middelbare scholieren te gast in Dordrecht, in het kader van de uitwisseling tussen scholengemeenschap Dordtwyck en de Experimentele School van de Universiteit van Thessaloniki.

In mei 2018 is het twintig jaar geleden dat de brieven werden geschreven. Een mooie aanleiding om het boek te herlezen. Dordtwyck bestaat niet meer. Niemand verbaast zich meer over het veelvuldige gebruik van de mobiele telefoon. Facebook en Twitter waren nog niet uitgevonden. De leerlingen van toen zijn inmiddels ouders van nu. Stella is overleden en ik ben al ruim zeven jaar uit het onderwijs. In een aantal brieven wordt 's morgens voor het opstaan aan seks gedaan. Het komt mij voor dat daar weinig verandering in is gekomen.

Ik weet niet of ik het boek vijftig jaar na dato weer zal kunnen herlezen, maar al na bijna twintig jaar is het fascinerend om te zien hoe wij zijn voortgeraasd door de tijd. Vreemd eigenlijk dat zo'n project niet iedere tien jaar wordt herhaald.


donderdag, december 07, 2017

Donkere dagen



De donkere dagen voor kerst zijn weer aangebroken. We kunnen de onverkwikkelijke discussie over de kleur van Piet, in beide kampen, voor of tegen, gedomineerd door griezelige fanaten, weer een poosje achter ons laten. Voor we ons gaan storten op die andere 'traditie', de mythe van dat onbevlekt ontvangen ventje in het bakske vol met stro, symbool voor vrede op aarde en in de mensen een welbehagen, draagt Disaster Donald nog even een steentje bij aan de wereldvrede door, tegen het advies van bijna de hele wereld in, Jeruzalem te erkennen als de hoofdstad van Israel. Dat maakt voor pelgrims een bezoek aan de Geboortekerk extra spannend en DD houdt wel van een beetje reuring.

Op de radio is het kerstgedrein begonnen. Iemand beweert in een actualiteitenprogramma dat er duizenden beestjes in een kerstboom zitten en dat die allemaal je huis binnendringen. Daarom moet je die boom eerst een nachtje in een verwarmde schuur neerzetten. Ik denk aan de liedregel 'allemaal beestjes, allemaal beestje om mij heen,' maar die had, naar ik meen, minder met hars uit een spar dan met iets dat bijna net zo klinkt te maken. Ik ben dol op die donkere dagen voor kerst, op het miezerige, kledderige regenenofnattesneeuwweer, dat zo goed bij de menselijke geest past.

De menselijke geest van de MeToo-heksenjacht, die er inmiddels toe heeft geleid dat een of andere achterlijke muts een petitie is begonnen om een schilderij van een jong meisje uit het Metropolitan Museum of Art te verwijderen. Zou iets met seksueel geweld te maken hebben. Als ik zoiets lees heb ik even de neiging om heel hard te roepen dat er eens een ruige zeeman over het wijf heen zou moeten, wat ik natuurlijk niet doe. Voor je het weet sta je op de proscriptielijst en bonkt een roedel stekelhaarfeministen op de deur.

Ondertussen haalt Facebook een link van mij weg omdat die naar een prent uit de zeventiende eeuw verwijst, waarin de vrouw van Potifar Jozef probeert te verleiden, door het tonen van een tiet. Facebook, daar zou de hele koninklijke marine maar eens overheen moeten. Alleen, dat schrijf ik niet op, dat soort uitspraken lijkt me toch meer iets voor Disaster Donald en zijn aanhang. Ik ga liever op zoek naar het klachtenloket waar ik kan protesteren tegen het weer, tegen die ellendige en lamlendige donkere dagen. Ik geloof dat Gerard Reve daarover iets verstandigs heeft gezegd.

Foto: auteur


maandag, december 04, 2017

Hoepla



Op 9 oktober 1969 verscheen Phil Bloom, toen 21, naakt in het VPRO-televisieprogramma Hoepla. Nederland was te klein. Als een bosje vlooien stoven de moraalridders op. SGP-leider Van Dis stelde vragen in de Tweede Kamer en vond dat de regering het programma moest verbieden. De roeptoeters van De Gewone Man, Twitter en Facebook, bestonden nog niet, maar als ze wel hadden bestaan, waren er weken van geraas en getier gevolgd. In ingezonden brieven werd geroepen om ontslagen en verboden. Dat had in zoverre succes dat de VPRO, toen nog onder voorzitterschap van een dominee, het programma al snel liet vallen. Preuts Nederland in volle glorie. Zo'n beetje als nu de reacties op die grap van radio 538, die een naakte vent liet dansen voor een zangeresje. Of dat meisje nog nooit een pik zou hebben gezien. Goed, een flauwe grap uit het onderbroekenlolcircuit, maar verder nogal onschuldig.

Het meest staat mij nog de reactie van mijn eigen vader bij. Die ontstak ook in grote woede. Hij maakte zelfs schoppende bewegingen richting het televisietoestel, zodat mijn moeder hem moest manen een beetje rustig aan te doen. Als ultieme daad van afkeuring zegde hij ons lidmaatschap van de VPRO op. De dag daarna werd ik lid, zodat de radiobode nog altijd op het ouderlijk adres werd bezorgd, tot ik op mijzelf ging wonen.

Ik genoot van programma's als Hoepla, Het Gat van Nederland, de Fred Haché Show (ik herinner mij een aflevering met Willeke van Ammelrooij in bad), Van Oekels Discohoek en Waldolala. Het was een mooie tijd, waarin niet werd gezeken over een tiet of een piemel meer of minder. Een tijd die met de hedendaagse Grote Vertrutting van Nederland voorgoed voorbij lijkt. Natuurlijk, ik word op mijn lichtgevorderde leeftijd enigszins nostalgisch, maar ik vraag mij af of er nog een middelbare school te vinden is, die een grote groep leerlingen een dagje of twee vrijaf geeft om bij filmopnamen te figureren. Ik was figurant bij Professor Columbus. Een geflopte film, maar wel met een blote Phil Bloom, toen al, nog voor haar televisieoptreden. Tieten live, ja, het was een geweldige tijd.

Foto: nl.wikipedia.org/wiki/Phil_Bloom



donderdag, november 30, 2017

Geslaagd



De foto is van 1 december 1978. Genomen in de Statenzaal van Het Hof te Dordrecht. Daar werd door de Culturele Raad mijn eerste verhalenbundel, Centre Ville, ten doop gehouden. Ik las er uit voor, Han van Gorkom hield een gloedvolle toespraak en het Willem Breuker Collectief blies de gobelins zo ongeveer van de muren.

Het was de vooravond van wat ik dacht dat een glansrijke literaire carrière zou worden. Dat Willem Breuker goed bevriend was met mijn held Jan Wolkers, wist ik toen nog niet. Daar kwam ik pas achter tijdens het lezen van Het litteken van de dood, de geweldige biografie van Wolkers door Onno Blom.

Eerlijk gezegd was die presentatie erg veel eer voor een boekje van zeventien pagina's. Ik had de tijd moeten nemen om meer verhalen in te leveren. Ongeduld en zelfoverschatting tekenen de jeugd en zo oud was ik nog niet. De vormgever, Bas Damme, had er iets moois van gemaakt, met een erg klein lettertype. Dat scheelde ook enkele bladzijden, maar zo werd het boekje in ieder geval niet te duur en schoot er iets over voor het feestje met Willem Breuker.

Ik herinner mij dat de zaal goed gevuld was. Het spreekt vanzelf dat al die mensen voor mij en Centre Ville kwamen. De avond was daardoor bijvoorbaat  al geslaagd.

Foto: archief auteur




maandag, november 27, 2017

Amsterdams uitje



Het is vrijwel windstil in Amsterdam. Op mijn wandeling van het centraal station naar het PC. Hooft-gebouw van de universiteit, in de Spuistraat, word ik al snel omring door de zware lucht van hasj. De stad meurt als een open riool. Het is vrijdagmiddag. Dat betekent dat onder de toeristen die door het centrum krioelen, ook nog eind november, relatief veel Engelsen zijn. Van de soort die mijn Grootbritse neef altijd fijntjes undesirables noemt. Ze zuipen en blowen alsof we helemaal niet afkoersen op een rampzalige Brexit, die ons een stuk armer gaat maken, en Groot-Brittannië economisch zal ruïneren.

De illusie van een wereldrijk dat zichzelf wel kan redden heeft bizarre vormen aangenomen, maar na de Brexit zijn we voorlopig even van die undesirables af, denk ik. Tegen die tijd zullen de Amsterdamse hasjboeren het Aziatische toerisme wel hebben ontdekt. Een groeimarkt die voor nog veel meer stank in de hoofdstedelijke stegen kan zorgen. Terwijl ik bijna van de sokken word gereden door een ploegje op huurfietsen voorbij slingerende Chinezen, Japanners, of Koreanen, ik zie het verschil niet, denk ik aan de tijd van de witte fietsen. De tijd waarin wij als provinciale pubers nu en dan een dagje Amsterdam deden en, helemaal te gek, weet je wel, diep tevreden 's avonds in de trein naar Dordrecht stapten, omdat we een paar uur in Fantasio op de Prins Hendrikkade hadden gezeten en nu dus helemaal bij de alternatieve wereld hoorden.

Ik heb nog even de tijd voor mijn lezing begint. Ik zie dat het bij Scheltema op de Nieuwezijds nog rustig is en besluit even koffie te gaan drinken. Als we het bij Fantasio hadden gezien, gingen we naar Scheltema. Daar kon je Rijk de Gooyer zien zitten en, zei men, veel bekende journalisten van het Handelsblad. Bij ons thuis werd De Dordtenaar gelezen. Wij kenden geen journalisten van het Handelsblad. Wij kenden alleen Harry K., de stadsverslaggever die vierentwintig uur per dag dronken was en desondanks zijn stukjes schreef. Tot hij eraan dood ging. Hij was altijd te vinden in de Meyereische Kar en later in de Vrijheid. Na de koffie loop ik door het Keizerrijk naar de Spuistraat. Ook hier wordt geblowd dat het een aard heeft. Half stoned zoek ik een plek in de collegezaal.

Foto: archief Kees Klok



maandag, november 20, 2017

Komedie



Het is van dat treurig stemmende, druilerige novemberweer. Ik ben een café in gevlucht. Vijf uur in de middag, en alle lichten al aan. Wintertijd. Wie dat heeft bedacht, weet ik niet, maar ik verwed er een goekope fles wijn onder dat het een broeder uit calvinistische kring was. Van dat geloof dat tot soberheid noodt en tot het dragen van stemmige kledij.

Iemand in de familie liet zich dopen in een of andere sekte. Of wij ook kwamen. Stella was nieuwsgierig. Ik ging met tegenzin mee. Speciaal voor de gelegenheid kocht Stella een hoedje in de refowinkel en trok ik het zwarte pak aan, waarin mijn vader vroeger lekenpreekte. Wij zouden ons niet laten kennen.

In het gebedshuis werden we nogal vreemd aangekeken. Wat wij aanzagen voor iets in de orde van de Gekrookte Rieters, bleek een hoela-hoela-kerk te zijn, met zang en dans. De dopelingen werden gekleed in een witte soepjurk in een soort zwembad gemikt. Als ik het zwarte pak niet had gedragen, zou ik onbedaarlijk hebben gelachen.

Claire belt. Waar of ik ben en of we een pizza gaan eten bij Costa d' Oro, ons gebedshuis in barre tijden. Dat refohoedje heb ik haar op een dag gegeven toen ze een rolletje had bij het amateurtoneel. Een komedie waar ik erg vrolijk van werd.

Foto: auteur


donderdag, november 16, 2017

Natuurgeweld



Toen ik in 1987 een tijdje studeerde aan de Universiteit van Minnesota, verbleef daar ook een Portugese, Maria Teresa, uit Porto. Een tengere, wat stille, jonge taalwetenschapster, die op een dag bekende dat ze doodsbang was van tornado's. Daar had ze vreselijke dingen over gehoord en verschrikkelijke dingen van gezien. Ik geef toe dat ik ook niet echt gecharmeerd ben van dergelijk natuurgeweld, maar toen er op een avond een tornado over een deel van de stad trok, was ik mij daar niet eens van bewust. Het was de eerste avond dat ik Stella mee uit eten nam, naar een Mexicaans restaurant, ergens in een shopping mall, waar ook een Nederlands pannenkoekenrestaurant was gevestigd, maar dit terzijde. Terwijl de andere deelnemers aan het seminar in American Studies de avond doorbrachten in de schuilkelder van Middlebrook Hall, romantisch gelegen aan de oever van de Missisippi, zaten wij te tortelen bij de tortilla's en de chili-con-carne.

Dat er een tornado was geweest, die in een van de buitenwijken aanzienlijke schade had aangericht, merkten we pas toen we thuiskwamen en daar een aantal bezorgde deelnemers aan het seminar troffen. Maria Teresa vertelde huiverend over Ragnar, mijn IJslandse kamergenoot, die tegen alle adviezen in op het dak van Middlebrook Hall was gaan zitten, met zijn camera in de aanslag, om de foto van zijn leven te schieten. Ragnar was een tamelijk onversaagde viking. Als hij naar zijn vrouw in Reykjavik belde, hoorde je soms ineens een Nederlands woord in zijn IJslands.

Aan het einde van het seminar maakten we een rondreis door de Verenigde Staten, die ons in Albequerque, New Orleans, Washington, Boston en New York bracht. Maria Teresa stapte steeds zuchtend in het vliegtuig, angstig dat we uit de lucht zouden worden gezwiept door een van de tornado's, die in haar idee onophoudelijk over de prairies raasden. Dat viel mee. Behalve een stevige onweersbui in het broeierige New Orleans, bleef verder natuurgeweld ons bespaard. In New York namen we afscheid. Maria Teresa was nog niet terug in Porto, of Portugal werd getroffen door een windhoos, die in enkele dorpen schade aanrichtte. Een windhoos is gewoon een tornado die minder dreigend klinkt. Ik denk nog weleens met weemoed terug aan dat Mexicaanse restaurant.

Foto: Brabants Historische Informatie Centrum